Na de erfelijke peers: een voorstel voor een Hogerhuis op basis van obligatiehouders
Belangrijkste punten
- •Het erfelijke lidmaatschap van het Hogerhuis is na decennia van geleidelijke hervorming geëindigd met de Hereditary Peers Act 2026.
- •Volgens het artikel zou benoeming op verdienste nog steeds afhangen van de selecteurs en politiek beïnvloed kunnen worden.
- •Er wordt een op obligatiehouders gebaseerde kamer voorgesteld, omdat obligatiehouders zichzelf selecteren en doorgaans langetermijnstabiliteit nastreven.
- •Britse pensioenfondsen en verzekeraars behoren tot de grote houders van de overheidsschuld en zouden in zo'n systeem dus waarschijnlijk prominent zijn.
- •Het gekozen Lagerhuis behoudt het laatste woord, aangezien het Hogerhuis onder de Parliament Acts de meeste wetgeving slechts kan vertragen.

Het Britse Hogerhuis, de House of Lords, werd traditioneel gedomineerd door erfelijke peers — een door de monarch, soms al in oude tijden, geschonken recht op een zetel in de kamer dat van generatie op generatie werd doorgegeven. Dat systeem brokkelde al decennia af — de Life Peerages Act 1958 creëerde levenslange peerages en de House of Lords Act 1999 liet na een compromis slechts een groep van 92 erfelijke leden bestaan — voordat het dit jaar definitief eindigde met de Hereditary Peers Act 2026_Act_2026). Schrijvend op Marginal Revolution pakt de auteur de vraag die daarop volgt op: hoe moeten de leden van het Hogerhuis nu worden gekozen? Die vraag is in Westminster een oude: de beloofde hervormingen van de “tweede fase” lopen sinds 1999 herhaaldelijk vast — een wetsvoorstel uit 2012 voor een deels gekozen kamer werd ingetrokken na onenigheid binnen de coalitie — waardoor de samenstelling van een van de grootste wetgevende kamers ter wereld nog altijd niet is vastgesteld.
Het idee dat het snelst opkomt, is selectie op verdienste. Misschien moet de kamer worden gevuld met Nobelprijswinnaars, wijze hoogleraren, oud-politici, vooraanstaande publieke dienaren en dergelijke. De moeilijkheid, aldus de auteur, is dat deze mensen alsnog door iemand moeten worden uitgekozen, en wie het selectieproces beheerst, beïnvloedt onvermijdelijk het soort mensen dat wordt geselecteerd. Daarmee staat een benoemde kamer minder onafhankelijk van — en mogelijk dichter bij — de gewone politiek, ook met benoemingen voor het leven. Bovendien is er de vraag naar hun belang. Met een beroep op Madisons betoog in Federalist nr. 51 dat in een goed systeem “het belang van de mens verbonden moet zijn met de constitutionele rechten van de positie”, stelt het stuk dat een gepolitiseerde selectie van vertegenwoordigers, zelfs verdienstelijke met een benoeming voor het leven, mogelijk onvoldoende verschilt van gewone gekozen politici om veel verschil te maken.
Een alternatief komt van de collega van de auteur, Garett Jones, econoom aan de George Mason University, die in het in 2016 verschenen boek 10% Less Democracy voorstelt obligatiehouders een formele rol in de overheid te geven. Beschouw dus een Hogerhuis op basis van obligatiebezit. Het voordeel van zo'n systeem is dat obligatiehouders zichzelf selecteren en hun belang bij langetermijnstabiliteit ligt — “precies wat we willen in een tegenwicht op het Lagerhuis”.
Stemmen in de kamer zouden evenredig aan de bezittingen kunnen worden toegewezen. In de praktijk zou dat institutionele vertegenwoordigers opleveren, met name pensioenfondsen — wat vrijwel zou weerspiegelen wie de Britse overheidsschuld nu al vasthoudt, aangezien Britse pensioenfondsen en verzekeraars tot de grootste houders van gilts behoren, naast buitenlandse investeerders en de Bank of England, die door haar programma's van kwantitatieve verruiming een groot belang heeft opgebouwd. Als het doel stabiliteit en groei is, lijkt het pensioenfondsen wat meer invloed in de nationale politiek geven “geen slecht idee”; obligatiehouders zouden bijvoorbeeld waarschijnlijk begaander zijn met financiële stabiliteit op lange termijn dan de huidige politici lijken. Die zorg maakt zich in de Britse politiek nu al via de markt zelf voelbaar: de onrust op de giltmarkt na het “mini-budget” van september 2022 noopte de Bank of England tot noodopkop van obligaties om posities van pensioenfondsen te stabiliseren, en binnen enkele weken werd het grootste deel van de aangekondigde belastingverlagingen teruggedraaid. Moeten buitenlandse obligatiehouders stemrecht krijgen? “Waarom niet? Misschien verbetert dat de kans op vrede.” Het Lagerhuis, zo in elk geval, zou altijd het laatste woord hebben — zoals nu al het geval is onder de Parliament Acts van 1911 en 1949, waaronder het Hogerhuis de meeste wetgeving ongeveer een jaar kan ophouden, maar uiteindelijk niet kan blokkeren.
Veeleer, merkt de auteur op, zouden obligatiehouders te fiscaal conservatief kunnen uitpakken, aangezien hun eerste zorg het defaultrisico is. Zo bezien kwam het traditionele op erfelijke peers gebaseerde Hogerhuis feitelijk neer op een Hogerhuis gebaseerd op landbezit — geen slechte maatstaf voor stabiliteit en groei op de lange termijn, want landeigenaren doen het doorgaans goed als het land het goed doet en zij kunnen hun land niet naar een ander land meenemen. Het oude systeem had zijn wijsheid, maar landbezit loopt niet volledig parallel met nationale welvaart: het Hogerhuis verdedigde heffingen op geïmporteerde voedingsmiddelen — de Corn Laws (graanwetten), pas in 1846 afgeschaft na de campagne van de Anti-Corn Law League — om landrente te bevorderen, ten koste van de voedselprijzen voor alle anderen. Botsingen over het gebruik van de bevoegdheden van de kamer eindigden daar niet; de verwerping van de “People's Budget” van 1909 kostte het Hogerhuis uiteindelijk haar absolute veto, via de Parliament Act 1911.
Om vergelijkbare redenen stelt de auteur voor de kamer aan te vullen met wat eigen vermogen, bijvoorbeeld eigendom van Trills, het idee van econoom en Nobelprijswinnaar Robert Shiller voor aandelen gedekt door het reële bbp. Het resultaat zou zijn: een volkskamer en een zakelijke kamer, verdeeld in aandelen en obligaties — alles, aldus de auteur, goed op elkaar afgestemd.