Economen wegen de inkomsten af die nodig zijn om AI-kapitaaluitgaven te rechtvaardigen
Belangrijkste punten
- •Jared Bernstein, voormalig voorzitter van de Council of Economic Advisers van het Witte Huis, en andere economen berekenden in een bericht op de Econbrowser-blog welke inkomsten nodig zijn om de huidige en geplande kapitaalinvesteringen in AI te rechtvaardigen.
- •De analyse wijst erop dat de inkomsten die nodig zijn om de AI-uitbouw economisch rationeel te maken waarschijnlijk niet snel genoeg zullen worden gerealiseerd om aan de tijdshorizon van financiële markten te voldoen.
- •De econoom Stijn Van Nieuwerburgh van Columbia University behandelt hetzelfde onderwerp in een studie in de Brookings Papers on Economic Activity, terwijl commentaar op de uitbouw erop wijst dat de financiering verschuift naar meer exotische en minder transparante delen van het financiële systeem.
- •Enquêtes naar geplande uitgaven van bedrijven aan AI-diensten vallen veel lager uit dan de bedragen die de investeringspijplijn impliceert, waardoor de inkomstenonderbouwing momenteel afhankelijk is van vraag die bedrijven nog niet hebben begroot.
- •De koers-winstverhoudingen op basis van verwachte winsten voor de Mag-7 — Apple, Microsoft, Alphabet, Amazon, Nvidia, Meta en Tesla — zijn laag naar historische maatstaven, hoewel deze cijfers gebaseerd zijn op verwachte in plaats van gerapporteerde winsten.

Econoom Jared Bernstein, voormalig voorzitter van de Council of Economic Advisers van het Witte Huis, heeft samen met anderen berekend welke inkomsten nodig zijn om de huidige en geplande kapitaalinvesteringen in kunstmatige intelligentie (AI) te rechtvaardigen, in een bericht op de langlopende economisch blog Econbrowser.
De schatting, gebaseerd op een grafiek die door Callum Williams is samengesteld en door Bernstein is gedeeld (beschikbaar via zijn Substack), wijst op een inkomstenpeil dat volgens Bernstein waarschijnlijk niet zal worden bereikt binnen een tijdsbestek dat financiële markten zouden accepteren — oftewel: op korte termijn. De berekening komt in feite neer op een drempelanalyse: hoeveel inkomsten AI-aanbieders zouden moeten boeken om de reeds ingezette uitgaven economisch zinvol te maken.
Een studie in de Brookings Papers on Economic Activity (BPEA) van de econoom Stijn Van Nieuwerburgh van Columbia University behandelt hetzelfde onderwerp; deze reeks is het langlopende economische onderzoeksplatform van de Brookings Institution. Er is ook op gewezen dat de financiering van deze uitgaven verschuift naar meer exotische en minder transparante delen van het financiële systeem.
Dat roept een fundamentele vraag op: als de inkomsten eraan komen, waar komen ze dan vandaan? Enquêtes naar geplande uitgaven aan AI-diensten — die op zichzelf zeer speculatief zijn — vallen veel lager uit dan de bedragen die uit de investeringspijplijn naar voren komen. Dat verschil is belangrijk, omdat de onderbouwing van de inkomsten voor de verdere uitbouw momenteel steunt op vraag die bedrijven nog niet in hun begrotingen hebben opgenomen.
Een grote opbrengst kan nog steeds toevallen aan het bedrijf of de bedrijven die als eerste AI-diensten op de markt brengen. Er kan echter een grote puinhoop ontstaan in de nasleep voor bedrijven die als laatste of op één na laatste eindigen.
Een opvallend aspect bij het volgen van de sector: de koers-winstverhoudingen op basis van verwachte winsten voor de Mag-7 — niet precies AI-laboratoria, omdat ze inkomsten uit andere activiteiten halen — zijn historisch gezien vrij laag. Zulke verhoudingen vergelijken de aandelenkoers van een bedrijf met de winsten die analisten vooraf voor het bedrijf verwachten, in plaats van met de winsten die het al heeft gerapporteerd. De aanduiding Mag-7 is een afkorting voor Apple, Microsoft, Alphabet, Amazon, Nvidia, Meta en Tesla. Toch moet worden bedacht dat dit verwachte winsten zijn, oftewel de "schattingen" van analisten. Hoe die schattingen worden bijgesteld, of enquêtes naar geplande uitgaven de kloof met de investeringspijplijn dichten en waar de financiering uiteindelijk terechtkomt, zijn de praktische graadmeters om te beoordelen of de inkomstenonderbouwing voor de verdere uitbouw sterker wordt.